Toen was geluk heel gewoon.

Toen was geluk heel gewoon. Ja toen was geluk zeker héél gewoon, zeker als je in staat bent van niets iets te maken en je leeft in een "kleine" wereld.

Geluk dat heel gewoon was, ja héél gewoon en het bestond echt en ik gelukkig mens dat ik ben, ik kan er over mee praten omdat ik van de generatie ben die dit mocht meemaken en dat geluk speelt zich af in de jaren 50/60 van de vorige eeuw.

Velen van jullie zullen zeggen daar heb je er weer één, iemand die gaat vertellen dat vroeger alles beter was. Neen, dat doe ik dus niet want ook toen waren er momenten, gebeurtenissen die niet goed waren. Het was immers net na de tweede wereld oorlog, de lonen waren laag en er moest door alle vaders bijgeklust worden om het gezin draaiende te houden. Maar voor mij als opgroeiend kind was het een tijd van geborgenheid een tijd waar de mensen er nog voor elkaar waren een tijd die "goed" was voor een zorgeloos kind.

De "kleine" wereld waarin wij leefde was zo klein omdat er in ons huis alleen een radio stond (met een spannend hoorspel van Paul Vlaanderen) en verder las mijn vader Het Vrije Volk, de krant van de arbeiders. Televisie........? Neen die hadden we niet, ja veel later toen Pa centjes bij elkaar had gespaard voor een eerste aanbetaling en in Schiedam het wonderlijke apparaat ging kopen. Een van de eerste televisies stond bij de familie Sloot, om de hoek van de straat waar wij met de kinderen van de buurt ons stonden te verdringen voor het raam van deze familie om die fascinerende bewegende beelden te zien. Woensdag en zaterdag middag om vijf uur kinderuurtje, dan mochten we met de schoenen uit met z'n allen binnen kijken zittend als één grote familie op de grond. Dan keken we naar programma's als, Coco en de vliegende knorrepot of Tex Tukker, De verrekijker en nog veel meer en aan het eind met z'n allen zwaaien naar tante Hannie de omroepster. Deze zelfde televisie stond niet 24 uur 7 dagen in de week alle narigheid van de hele wereld de kamer in te spuien. Dat kon ook niet want het programma begon s'avonds om acht uur en was uiterlijk om half elf afgelopen met de dagsluiting van Pater Leopold Verhagen en dan ook nog één avond in de week dat er niet uitgezonden werd.

In die "kleine" wereld van ons was er niet zoveel narigheid en geweld als nu, oké er waren wel eens buren die het niet met elkaar eens waren, maar dat was het dan ook. Of het moest zo zijn dat er wat bezoekers van het Café op de hoek iets te veel spiritualiën tot zich hadden genomen en daardoor een tikje agressief werden, waardoor er voor het Café een oprel ontstond. Vonden wij niet erg, daar smulden wij van want dat was pure sensatie.

Maar de telefoon dan........, die was alleen voor de rijkere mensen en ik kan mij ook niet herinneren dat één van onze buren er één had. Het niet hebben van een telefoon was in die tijd ook niet zo erg, anders dan nu waar het gemeengoed is geworden en zelfs kinderen van vijf jaar al met een smartphone op zak uhh... in de hand lopen. Als wij iemand nodig hadden, gingen we naar hem of haar toe en ook dat was leuker om de eenvoudige reden dat je elkaar in levende lijve zag en een gewoon gesprek onder vier ogen kon hebben en mocht degene iets verder weg wonen, ging je gewapend met één of twee dubbeltjes naar de telefooncel. Begrijp me alsjeblieft niet verkeerd want ook ik maak op mijn manier gretig gebruik van de digitale snelweg, want als die niet bestond kon ik jullie ook niet mee laten smullen van mijn "belevenissen".

Onze straat was er één van grote gezinnen, met 4 kinderen was het gemiddeld, meestal waren het er meer zodat het de naam mocht dragen van een kinderrijke straat. En niet alleen in onze straat maar in de hele buurt was het zo, allemaal kinderen van net na de tweede wereld oorlog. Natuurlijk bracht dat een hoop gezelligheid met zich mee en leuke bijkomstigheid dat er altijd wel kinderen waren om mee te spelen.

Van niets iets maken, dat konden wij als geen ander immers er was niet veel dus alles moest op straat gebeuren. Zo verzonnen we de leukste spelletjes zoals bussietrap, boompie verwisselen, slagbal met een plank en als je veel geluk had kon je ergens een oude stoelpoot vinden, dan kreeg je geen splinters in je handen. Ook konden we héél lang bezig zijn met te proberen een oude fietsband om een lantaarnpaal te gooien. Een kleine greep uit ontelbaar veel dingen die we toen hebben verzonnen waarmee we bezig waren tot de lantaarnpaal ging branden en we naar binnen moesten. Op het schoolplein tegenover ons huis altijd met de bal bezig tot dat de wijkagent de hoek bij het Café om kwam. Als we geluk hadden dat één van ons het in de gaten had en waarschuwde met de kreet........jongens pas op daar komt de ballen jatter. Dan was het als een speer de bal over het muurtje op het andere schoolplein peren zodat de ballen jatter er niet mee vandoor kon gaan. Waren we teveel in ons spel opgegaan dan was het geheid mis, die lange stopte dan gekleed in dat zwarte uniform, stapte af en sommeerde ons door met zijn wijsvinger het teken te geven dat we bij hem moesten komen. Wij met de koppies omlaag want ontzag was er toen zeker voor de gehele Hermandad en gingen voor hem staan met het meest onschuldige gezicht dat we maar konden bedenken. Die lange vertelde ons dan op vermanende toon dat we niet op het schoolplein mochten voetballen want er kon wel eens een bal door de ruit vliegen (zo af en toe gebeurde er wel eens zoiets, waarbij de dader(s) niet meer te traceren waren), hier die bal zij hij dan en deed ons ronde speeltuig achter op de bagagedrager met twee snelbinders zo vast als een huis op de zwarte dienstfiets en zagen we hem de straat uit rijden.

Van niets iets maken was zeker het geval als we het plan hadden gesmeed om een Zeepkist in elkaar te knutselen, op zich niet zo moeilijk maar je moest wel aan materiaal zien te komen. Het aller belangrijk was het vinden van een onderstel en dan bij voorkeur eentje met soepel lopende wielen. Dit onderstel konden we vinden bij de (zinken) vuilnisbak op donderdag of we moesten naar de Lorreboer ook wel Voddeman genoemd. De opbouw kon volstaan met losse planken of een oude aardappelkist, dit met een hamer wat spijkers en zadeltjes om de assen vast te zetten alsmede een touwtje om te sturen en zie daar de zeepkist was geboren. Waarom het altijd zeepkist werd genoemd weet ik nog steeds niet, waarschijnlijk was het afkomstig van de Sunligt zeepfabriek die in de stad stond en bij een zuidwesten wind de stad voorzien werd van een heerlijke zeeplucht. Mijn broer en ik hadden de snelste en de kleinste zeepkist van de straat, dat karretje liep zo soepel en zo hard dat wij altijd als eerste bij de brand waren. Ja, wij speelden brandweertje met nog een stuk of vier zeepkistbrandweervooertuigen die in het bezit waren van onze buur kinderen. Wij als snelste (mijn broer en ik) hadden ook de brandweerspuit aan boord, de fietspomp van Pa! Met die fietspomp kon je water uit de straatput zuigen om er vervolgens de brand mee te blussen en heel eerlijk het werkte perfect. Tot dat onze Pa er de banden van z'n fiets mee op moest pompen, geen beweging meer in te krijgen, Pa hield zijn zachte banden en wij konden geen brand meer blussen.

Dit alles is maar een héél klein gedeelte van het verhaal uit mijn jeugd en om alle andere gebeurtenissen ook een plaats te geven zal dit verhaal zeker een vervolg krijgen.

Toen was geluk heel gewoon, maar heus niet altijd want mijn vader (de moeders waren thuis voor de kinderen) moest als alleen verdiener net zoals de vaders van onze straat vriendjes en vriendinnetjes de eindjes aan elkaar knopen om het gezin draaiende te houden.

 

Ik was een kind en kon niet weten dat dit voor goed voorbij zou gaan.